In het medicijnkastje
Geneesmiddel, medicijn of farmacon: allemaal woorden voor hetzelfde product. Namelijk een chemische stof die een bepaald, in principe gewenst effect heeft op het lichaam van mens en/of dier.
De chemische stoffen in medicijnen kunnen heel natuurlijk zijn, bijvoorbeeld gewonnen uit plantaardige of dierlijke bronnen. Denk hierbij aan bepaalde insulines en penicillines. Tegenwoordig worden de meeste geneesmiddelen echter synthetisch gefabriceerd.
De Europese richtlijn (2001/83/EG) geeft de volgende definitie: “Geneesmiddel: elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.” Volgens deze wettelijke definitie hoeft een geneesmiddel dus niet altijd te genezen.
Er zijn twee soorten medicijnen: medicijnen op recept en medicijnen die bij onder meer de drogisterijen, supermarkten en tankstations mogen worden verkocht, de zogenoemde over-the-counter of OTC-medicijnen.